Geschiedenis
Eeuwenlang heeft Jamaica de kolonisten uit de hele wereld onthaald. Dit kleine eiland speelde gastheer voor de indianen die het ontdekten, de Europeanen die streden om er eigenaar van te worden, de Afrikanen die het gedwongen thuis moesten noemen, en de migranten uit Azië, India en het Midden-Oosten op zoek naar een beter leven. Elke groep kwam met zijn geschiedenis en zijn tradities, en gooide alles in de Jamaicaanse smeltkroes. Na eeuwen van mengeling zijn al die invloeden in een geheel samengekomen om het eiland haar rijke geschiedenis en erfgoed te bieden: een internationaal panaché van legendes, culturen en gewoonten, alle hier weergegeven tegen de achtergrond van Jamaica's prachtige bergen en valleien.
De eerste bewoners van Jamaica waren de Tainos-indianen, die de Arawakse taal spraken en vermoedelijk uit Zuid-Amerika afkomstig waren. De Tainos doopten het eiland "Xaymaca", wat "het land van hout en water" betekent. Dit vreedzame zeevarende volk begroet Columbus toen hij voor het eerst een bezoek bracht aan het eiland in 1494.
Columbus beschreef Jamaica als "het mooiste eiland mijn ogen ooit zagen...". Zijn komst betekende het begin van bijna 500 jaar Europese bezetting en bestuur. Aanvankelijk belandden de Spanjaarden nabij St Ann's Bay in "Sevilla Nueva" (Nieuwe Sevilla), maar verplaatsten zich uiteindelijk naar 'Villa de la Vega "(de stad op de vlaktes) nu “Spanish Town” genaamd. Hun nieuwe stad bloeide snel, en werd die het activiteitencentrum van het eiland.
Tijdens de jaren 1650 pakten de Britten Jamaica van de Spanjaarden. In een laatste poging de strijd aan te gaan bevrijdden de Spaanse kolonisten hun slaven en bewapende hen. Deze laatste zochten hun toevlucht in het binnenland van het eiland. De “Marrons”, zoals deze ex-slaven genoemd werden, daagden constant de nieuwe kolonisten van het eiland uit. De “Marrons” zijn ook het enige leger die ooit de machtige Britse leger kon verslaan, en zijn vandaag in Jamaica nog steeds aanwezig.
Onder het Brits gezag werd Jamaica een drukke en rijke kolonie. Bij de 18de eeuw was het eiland "de parel van de Britse kroon" en produceerde die 22 procent van de wereldproductie van suiker in bijzonder winstgevende plantages. Dit succes kwam ten grote kosten van het Afrikaanse volk, daar duizenden van hen gedwongen naar de Nieuwe Wereld als slaven werden verstuurd.
Als gevolg van het wrede en onderdrukkende slavernijsysteem kende Jamaica meer opstanden dan alle andere West-Indische eilanden. De verslagen van frequente slavenopstanden en andere vormen van verzet, gecombineerd met brute represailles van de plantermilitie, verstoorde het Europese geweten. Met de tijd groeiden de antislavernij gevoelens zo sterk in Europa dat die uitmondden op de “Emancipation Act” van 1834. De wet voorzag dat alle slaven onder de leeftijd van 6 onmiddellijke vrijheid kregen. Alle anderen moesten een leerperiode van vier tot zes jaar volgen. De leerperiode werkte wel in theorie, maar in de praktijk was de situatie amper beter dan slavernij. Planters bleven misbruik maken van hun leerlingen, en hielden garanties en lonen in. Vervolgens werd de volledige emancipatie in 1838 toegekend, twee jaar eerder dan voorzien.
Verlangend naar een breuk met het symbool van hun onderwerping verlieten vele arbeiders de plantage om zich over het hele eiland te vestigen. Om alternatieve betaalbare arbeidskrachten te vinden, moesten de planters werknemers uit China en India op leercontract aanwerven. Na de duurtijd van hun leercontract bleven vele Chinezen en Indiërs op het eiland en versterkten zo de eclectische mix van culturen in Jamaica.
Na 1838 daalde de productiviteit en winstgevendheid van de suikerplantages, waardoor Jamaica haar economie moest diversifiëren. Hoewel gewassen zoals bananen en koffie deugdelijke substituten vormden, werden uiteindelijk andere producties de drijvende kracht van de Jamaicaanse economie, om uiteindelijk de uitvoer van landbouwproducten te overstijgen.
Net als de veranderende economie, kende de Jamaicaanse politiek ook een transformatie met het einde van de slavernij. In 1866 voerde het eiland het regeringsysteem in van de “Crown Colony” (kolonie van de kroon). Dit nieuw systeem beloofde hervormingen in het onderwijs, de gezondheidszorg en andere sociale vakken, en gaf zo hoop aan een recent vrijgekomen generatie. Toch bleek decennia later de sociale teleurstelling groot te zijn, wat leidde tot een golf van incidenten en civiele onrust, en de geboorte van de vakbondsbeweging aankondigde.
Naar aanleiding van dat oproer werden de belangrijkste vakbonden en politieke partijen van Jamaica opgericht. De People's National Party van Norman Manley en de Jamaica Labour Party van Alexander Bustamante zouden het Jamaicaanse politiek toneel tot in de 21ste eeuw gaan domineren.
Twee belangrijke en ingrijpende veranderingen – het universele kiesrecht voor volwassenen in 1944 en de Onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1962 – hebben de weg geëffend voor een volk ooit veroverd, beheerst en begrenst, om zelf de architecten van een nieuwe natie te worden.




























